Een van de grote voordelen van tyleenslang is dat de leiding flexibel is. Je kunt een PE-leiding daarom vaak in een ruime bocht leggen zonder voor iedere richtingsverandering een losse knie of bocht tyleenkoppeling te gebruiken. Dat maakt het aanleggen eenvoudiger, beperkt het aantal verbindingen en verkleint de kans op lekkage. Toch kun je een tyleenslang niet onbeperkt scherp buigen. Wanneer je de leiding te ver doorbuigt, kan deze knikken, ovaal worden of plaatselijk beschadigd raken. De minimale bocht die je met een tyleenslang kunt maken, wordt aangegeven met de buigradius. Deze buigradius hangt onder andere af van de buitendiameter, de wanddikte, de SDR-klasse, de temperatuur en de manier waarop je de leiding ondersteunt. Op deze adviespagina lees je wat de buigradius van een tyleenslang is, hoe je deze berekent en wanneer je beter een tyleenknie kunt gebruiken.
Wat is de buigradius van een tyleenslang?
De buigradius is de straal van de bocht die je met de tyleenslang maakt. Het gaat hierbij om de afstand van het denkbeeldige middelpunt van de bocht tot het midden van de leiding. Een grote buigradius betekent dat de leiding in een ruime, geleidelijke bocht wordt gelegd. Een kleine buigradius betekent dat de leiding een scherpe bocht maakt. Bij het buigen van PE-leiding wordt de minimale buigradius meestal weergegeven als een veelvoud van de buitendiameter. Een fabrikant kan bijvoorbeeld aangeven dat de minimale buigradius gelijk is aan vijftien keer de buitendiameter: Minimale buigradius = 15 × buitendiameter
Voor een tyleenslang van 32 mm betekent dit: 15 × 32 mm = 480 mm
De straal van de bocht moet dan minimaal 480 mm zijn. De volledige diameter van de denkbeeldige cirkel bedraagt in dat geval 960 mm.
Buigradius tyleenslang online berekenen
Bereken de buigradius van tyleenslang
Kies de buitendiameter, SDR-klasse, temperatuur en gewenste bochthoek. De calculator toont de minimale buigradius, bochtdiameter en benodigde booglengte.
Schematische weergave
Praktisch advies
De buigradius loopt van het denkbeeldige middelpunt van de bocht tot het midden van de tyleenslang.
Verdeel de richtingsverandering over de volledige bocht en voorkom één scherp knikpunt.
Begin een bocht niet direct achter een rechte tyleenkoppeling.
Is de beschikbare ruimte kleiner dan de berekende radius, gebruik dan een passende tyleenknie.
De uitkomst is een praktische richtlijn. Controleer voor kritische drukleidingen, gasleidingen, grotere diameters en bijzondere installaties altijd de productspecificaties en montagevoorschriften van de fabrikant.
Waarom is de minimale buigradius belangrijk?
Wanneer je de minimale buigradius respecteert, wordt de spanning gelijkmatig over de leiding verdeeld. De tyleenslang behoudt daardoor zijn ronde vorm en de binnenruimte blijft vrijwel volledig beschikbaar voor de waterdoorstroming. Buig je de leiding te scherp, dan kan de binnenzijde van de bocht worden ingedrukt. De leiding wordt op die plaats ovaal en de beschikbare doorlaat wordt kleiner. Hierdoor kan extra drukverlies ontstaan. Bij een nog scherpere bocht kan de tyleenslang knikken. Een knik is een plaatselijke vervorming waarbij de leidingwand naar binnen wordt gedrukt. Hierdoor wordt de doorstroming sterk beperkt en kan de leiding blijvend beschadigd raken. Een geknikte tyleenslang moet je niet gebruiken als drukleiding. Snijd het beschadigde gedeelte eruit en herstel de leiding met een geschikte tyleenkoppeling of vervang het betreffende leidingdeel.
Wat is de minimale buigradius van tyleenslang?
Er bestaat niet één vaste buigradius die voor iedere tyleenslang geldt. De juiste waarde hangt onder andere af van de SDR-klasse en de productspecificaties van de fabrikant. Voor PE-drukleidingen bij ongeveer 20 °C noemt Vinidex bijvoorbeeld een minimale buigradius van vijftien keer de buitendiameter voor SDR11. Voor SDR17 wordt een ruimere radius van vijfentwintig keer de buitendiameter genoemd. Een leiding met een hogere SDR-waarde heeft relatief een dunnere wand en is gevoeliger voor knikken. Voor veel compacte tyleenslangen in tuin-, drinkwater- en beregeningstoepassingen kun je daarom als praktische richtlijn uitgaan van:
- SDR11: minimaal 15 × de buitendiameter
- SDR17: minimaal 25 × de buitendiameter
Controleer voor de definitieve aanleg altijd de productspecificaties van de gekozen tyleenslang. Vooral bij gasleidingen, industriële toepassingen, grotere diameters en gestuurde boringen kunnen andere eisen gelden.
Tabel minimale buigradius tyleenslang SDR11
Onderstaande tabel gaat uit van een PE-leiding met SDR11, een leidingtemperatuur van ongeveer 20 °C en een minimale buigradius van vijftien keer de buitendiameter.
| Buitendiameter tyleenslang | Minimale buigradius | Minimale bochtdiameter |
|---|---|---|
| 16 mm | 240 mm | 480 mm |
| 20 mm | 300 mm | 600 mm |
| 25 mm | 375 mm | 750 mm |
| 32 mm | 480 mm | 960 mm |
| 40 mm | 600 mm | 1.200 mm |
| 50 mm | 750 mm | 1.500 mm |
| 63 mm | 945 mm | 1.890 mm |
De buigradius wordt gemeten vanuit het midden van de bocht tot het midden van de tyleenslang. De bochtdiameter is twee keer de buigradius. Deze waarden zijn geen vervanging voor de installatievoorschriften van de fabrikant. Ze geven je wel een bruikbare indicatie voor het ontwerpen van het leidingtracé.
Tabel minimale buigradius tyleenslang SDR17
Bij een PE-leiding met SDR17 is een ruimere bocht nodig. Onderstaande tabel is gebaseerd op vijfentwintig keer de buitendiameter.
| Buitendiameter tyleenslang | Minimale buigradius | Minimale bochtdiameter |
| 20 mm | 500 mm | 1.000 mm |
| 25 mm | 625 mm | 1.250 mm |
| 32 mm | 800 mm | 1.600 mm |
| 40 mm | 1.000 mm | 2.000 mm |
| 50 mm | 1.250 mm | 2.500 mm |
| 63 mm | 1.575 mm | 3.150 mm |
Een hogere SDR-waarde betekent dat de verhouding tussen buitendiameter en wanddikte groter is. De leidingwand is dus relatief dunner. Daardoor kan de leiding wel flexibel aanvoelen, maar is ook meer ruimte nodig om knikken en plaatselijke vervorming te voorkomen.
Hoe bereken je de buigradius?
Je kunt de minimale buigradius eenvoudig berekenen met de volgende formule: Buigradius = buitendiameter × buigfactor
Voor een tyleenslang van 25 mm SDR11 gebruik je een buigfactor van 15: 25 × 15 = 375 mm
De minimale buigradius is dan 375 mm.
Voor een leiding van 25 mm SDR17 gebruik je een factor van 25: 25 × 25 = 625 mm
De minimale buigradius is dan 625 mm.
Let erop dat je de buitendiameter gebruikt en niet de binnendiameter. Tyleenslangen en tyleenkoppelingen worden eveneens op basis van de buitendiameter aangeduid.
Wat is het verschil tussen radius en diameter van de bocht?
De termen buigradius en bochtdiameter worden regelmatig door elkaar gehaald. Toch zijn ze niet hetzelfde. De buigradius is de afstand van het middelpunt van de bocht tot het midden van de leiding. De bochtdiameter is de volledige breedte van de denkbeeldige cirkel. Een buigradius van 500 mm betekent dus dat de volledige bocht een diameter van 1.000 mm heeft. Bij het uitzetten van een sleuf moet je hiermee rekening houden. Een leiding kan technisch gezien een buigradius van 500 mm hebben, maar je hebt ongeveer een meter breedte nodig om een halve cirkel met die radius te maken.
Kun je een tyleenslang onder een hoek van 90 graden buigen?
Je kunt met een tyleenslang een bocht van 90 graden maken, zolang deze bocht ruim genoeg wordt uitgevoerd. De hoek van de bocht is namelijk niet het belangrijkste. De radius waarin de hoek wordt gemaakt, bepaalt of de leiding te sterk wordt belast. Een geleidelijke bocht van 90 graden met een grote radius is meestal geen probleem. Een haakse hoek over een afstand van enkele centimeters is dat wel. Moet de leiding direct langs een muur, in een kleine put of vlak achter een aansluiting van richting veranderen? Gebruik dan een tyleenknie van 90 graden. Hiermee maak je een compacte en gecontroleerde richtingsverandering zonder de leiding te knikken.
Wanneer gebruik je een tyleenknie?
Een tyleenknie is nodig wanneer er onvoldoende ruimte is om de minimale buigradius aan te houden. Dit komt bijvoorbeeld voor bij een watermeterput, een pompaansluiting, een buitenkraan, een muurdoorvoer of een aansluiting op een beregeningsventiel. Gebruik ook een knie wanneer de leiding direct na een koppeling van richting moet veranderen. Het is niet verstandig om een tyleenslang vlak naast een knelkoppeling scherp opzij te trekken. Hierdoor ontstaat een zijdelingse belasting op de koppeling en kan de leiding scheef in de fitting komen te zitten. Laat daarom bij voorkeur eerst een kort recht leidingdeel vanaf de koppeling lopen en begin daarna pas met de bocht. Een ruime bocht in de leiding heeft wel een voordeel ten opzichte van een knie. Iedere fitting veroorzaakt enige extra weerstand. Met een geleidelijk gebogen tyleenslang houd je het aantal koppelingen en mogelijke lekpunten beperkt.
Invloed van temperatuur op de buigradius
De temperatuur heeft veel invloed op de flexibiliteit van een tyleenslang. Bij warm weer is PE soepeler en eenvoudiger in een bocht te leggen. Bij lage temperaturen wordt het materiaal stijver en is meer kracht nodig om dezelfde bocht te maken. Technische richtlijnen voor PE-leidingen geven daarom doorgaans buigradiussen bij een bepaalde referentietemperatuur, vaak rond 20 °C. De toegestane buigradius afhankelijk is van zowel de temperatuur van de leiding als de SDR-klasse. Bij koud weer is het verstandig om een ruimere bocht aan te houden dan de minimale tabelwaarde. Forceer de leiding niet en voorkom dat je een koude tyleenslang plotseling scherp ombuigt. Leg een opgerolde leiding bij voorkeur enige tijd uitgerold op een vlakke ondergrond voordat je begint. Hierdoor kan de spanning uit de rol verminderen en wordt de leiding gemakkelijker te verwerken.
Mag je tyleenslang verwarmen om deze te buigen?
Verwarm een normale tyleenslang niet met een gasbrander, verfbrander of open vuur. Door plaatselijke verhitting kan de materiaalstructuur worden aangetast. De leiding kan vervormen, dunner worden of zijn drukbestendigheid verliezen. Een PE-drukleiding is niet bedoeld om op de bouwplaats met warmte in een scherpe, blijvende bocht te worden gevormd, tenzij de fabrikant hiervoor een specifieke en goedgekeurde methode voorschrijft. Heb je een kleinere bocht nodig dan de toegestane buigradius? Gebruik dan een geschikte knie of een ander passend PE-hulpstuk. Voor bochten met een kleinere radius gebruik je hulpstukken.
Hoe leg je een tyleenslang in een bocht?
Begin met het uitzetten van het volledige leidingtracé. Maak bochten zo ruim mogelijk en vermijd onnodige richtingsveranderingen. Een geleidelijk leidingverloop is eenvoudiger aan te leggen en veroorzaakt minder weerstand. Rol de tyleenslang uit in de richting waarin deze op de rol zit. Trek de leiding niet zijwaarts van de rol, omdat hierdoor lussen en verdraaiingen kunnen ontstaan. Leg de tyleenslang vervolgens los in de sleuf. Vorm de bocht geleidelijk over de volledige beschikbare lengte. Probeer de richting niet op één klein punt te veranderen. PE-leidingen die in een gebogen lijn worden gelegd, moeten gelijkmatig over de volledige bocht worden gebogen. Het plaatselijk forceren van de leiding kan leiden tot knikken en geconcentreerde spanningen. De leiding kan tijdens het vormen van de bocht geleidelijk met aanvulmateriaal worden ondersteund. Controleer voordat je de sleuf dichtmaakt of de leiding nergens is afgeplat, ingedeukt of geknikt. Controleer ook of koppelingen recht en spanningsvrij gemonteerd zijn.
Mag je paaltjes gebruiken om de bocht vast te houden?
Het lijkt handig om een tyleenslang met een paar paaltjes in een scherpe bocht te dwingen. Dit is echter niet aan te raden. Een paaltje oefent op één kleine plaats druk uit op de leiding. Hierdoor ontstaan plaatselijke spanningen en kan de tyleenslang vervormen. Technische installatieadviezen voor PE-leidingen raden het gebruik van paaltjes of staken voor het vormen van de leidingbocht af. De kromming moet gelijkmatig worden opgebouwd en de leiding kan beter met het aanvulmateriaal over een grotere lengte worden ondersteund. Gebruik je tijdelijk grondpennen om een leiding op zijn plaats te houden, zorg dan dat deze de leiding niet scherp indrukken en verwijder ze voordat je de sleuf definitief aanvult.
Hoe herken je dat een tyleenslang te scherp is gebogen?
Een te scherpe bocht herken je vaak aan een zichtbare afplatting aan de binnenzijde. De ronde vorm van de leiding verandert dan in een ovale vorm. Bij een ernstigere vervorming ontstaat een duidelijke vouw of knik. Soms zie je aan de buitenzijde van de bocht een witte verkleuring of een sterk uitgerekte zone. Dit kan wijzen op overmatige spanning in het materiaal. Controleer ook de wateropbrengst. Een knik kan de doorlaat aanzienlijk verkleinen, waardoor de druk en het debiet aan het einde van de leiding lager worden. Is de leiding zichtbaar geknikt of blijvend vervormd? Hergebruik het beschadigde gedeelte dan niet. Een leiding kan aan de buitenzijde weer enigszins rond lijken, terwijl de wand toch verzwakt is.
Buigradius bij een tyleenkoppeling
Een tyleenkoppeling is gemaakt om een rechte leiding spanningsvrij vast te klemmen. Wanneer je direct naast de koppeling een scherpe bocht maakt, trekt de leiding zijdelings aan de fitting. Hierdoor kan de leiding scheef in de koppeling komen te zitten. Ook kan de afdichtring ongelijk worden belast. Dit vergroot de kans op lekkage. Houd daarom voldoende recht leidingdeel voor en na een koppeling aan. De exacte benodigde lengte hangt af van de diameter, het type koppeling en de installatie. Als praktische aanpak kun je de bocht pas beginnen wanneer de leiding volledig recht uit de koppeling komt en de wartel niet zijwaarts wordt belast. Bij een directe richtingsverandering gebruik je een tyleenknie in plaats van een rechte koppeling met een geforceerd gebogen leiding.
Buigradius bij een muurdoorvoer
Bij een muurdoorvoer moet de tyleenslang recht door de mantelbuis of doorvoer lopen. Buig de leiding niet scherp in of direct tegen de opening in de muur. Een scherpe bocht kan ervoor zorgen dat de tyleenslang langs de rand van de doorvoer schuurt. Daarnaast kan de leiding scheef aan een muurplaat, kogelkraan of andere aansluiting trekken. Gebruik voldoende ruimte voor een geleidelijke bocht of plaats een geschikte knie. Bescherm de tyleenslang met een mantelbuis wanneer deze door een muur, fundering of vloer loopt.
Buigradius bij beregening
Bij een beregeningsinstallatie wordt tyleenslang vaak in ruime bochten langs de rand van een tuin gelegd. Dit is een goede toepassing van de flexibiliteit van PE. Door de hoofdleiding geleidelijk te buigen, heb je minder knieën nodig. Dat vereenvoudigt de aanleg en beperkt extra drukverlies. Bij aansluitingen op kleppendozen, sproeiers en verdeelstukken is meestal minder ruimte beschikbaar. Gebruik hier passende tyleenkoppelingen, knieën en T-stukken. Trek de hoofdleiding niet onder spanning tegen een beregeningsventiel aan.
Buigradius bij een pomp
Bij een pomp moet de leiding spanningsvrij worden aangesloten. Een scherp gebogen tyleenslang kan zijdelingse kracht uitoefenen op de pompaansluiting. Plaats de pomp stabiel en zorg voor voldoende recht leidingdeel. Gebruik waar nodig een knie, draadkoppeling of flexibele overgang die geschikt is voor de toepassing en de werkdruk. Controleer ook de diameter van de leiding. Een te kleine of geknikte leiding veroorzaakt extra weerstand en kan de prestaties van de pomp sterk verminderen.
Veelgemaakte fouten bij het buigen van tyleenslang
Een veelgemaakte fout is dat de leiding pas tijdens het dichtgooien van de sleuf in de gewenste richting wordt gedrukt. Hierdoor kan een te scherpe bocht ontstaan die na het aanvullen niet meer zichtbaar is. Ook wordt de tyleenslang regelmatig direct achter een koppeling omgebogen. Dit belast zowel de leiding als de koppeling. Een andere fout is het verwarmen van de leiding met een brander om sneller een scherpe bocht te kunnen maken. Dit kan de PE-leiding onzichtbaar beschadigen. Verder wordt de diameter van de bocht soms verward met de radius. Een minimale buigradius van 500 mm betekent niet dat de hele bocht slechts 500 mm breed is. Voor een halve cirkel heb je ongeveer 1.000 mm nodig. Tot slot wordt te weinig rekening gehouden met koud weer. Een koude tyleenslang is stijver en moet voorzichtiger en ruimer worden gebogen.
Kies een ruime bocht bij twijfel
De minimale buigradius is precies wat de naam aangeeft: de kleinste radius die volgens de productspecificaties mag worden toegepast. Het is geen doelwaarde die je bij iedere bocht exact moet proberen te bereiken. Wanneer er voldoende ruimte beschikbaar is, kun je de bocht beter ruimer uitvoeren. Dit vermindert de spanning in de leiding, maakt de montage eenvoudiger en verkleint het risico op knikken. Moet je kiezen tussen een zeer krappe leidingbocht en een geschikte tyleenknie? Kies dan voor de knie.
Welke tyleenslang heb je nodig?
Naast de buigradius moet je bij het kiezen van een tyleenslang rekening houden met de diameter, werkdruk, SDR-klasse, leidinglengte en gewenste wateropbrengst. Voor een normale buitenkraan wordt vaak een tyleenslang van 20 of 25 mm gebruikt. Voor langere leidingen, meerdere tappunten en beregeningsinstallaties is 32 mm vaak een betere keuze. Voor grotere pompen, lange hoofdleidingen en hoge debieten kan 40 mm of groter nodig zijn. Gebruik de interactieve diametercalculator van PVCVoordeel om te bepalen welke diameter het beste bij jouw installatie past.
Conclusie
Tyleenslang is flexibel en kan daardoor vaak zonder extra hulpstukken in een gebogen tracé worden aangelegd. Je moet daarbij wel de minimale buigradius respecteren. Voor een PE-leiding met SDR11 kun je bij ongeveer 20 °C als praktische richtlijn uitgaan van een buigradius van minimaal vijftien keer de buitendiameter. Voor SDR17 is een ruimere bocht nodig en wordt vaak vijfentwintig keer de buitendiameter aangehouden. De exacte waarde blijft afhankelijk van het product en de fabrikant. Buig de leiding geleidelijk over de volledige lengte van de bocht, voorkom plaatselijke drukpunten en houd koppelingen spanningsvrij. Is er onvoldoende ruimte voor een ruime bocht? Gebruik dan een passende tyleenknie.
Bij PVCVoordeel vind je tyleenslang in verschillende diameters en drukklassen, samen met rechte koppelingen, knieën, T-stukken, muurplaten, kranen en andere onderdelen voor een complete waterleiding.
Bekijk ook:
Welke diameter tyleenslang heb ik nodig?
De buigradius is de afstand tussen het midden van de leidingbocht en het denkbeeldige middelpunt van die bocht. De minimale waarde hangt af van de diameter, SDR-klasse, temperatuur en fabrikant.
Vermenigvuldig de buitendiameter van de tyleenslang met de voorgeschreven buigfactor. Voor SDR11 wordt vaak een factor van 15 gebruikt. Een leiding van 32 mm krijgt dan een minimale radius van 480 mm.
Bij een richtwaarde van vijftien keer de diameter bedraagt de minimale buigradius van een tyleenslang van 25 mm ongeveer 375 mm. Controleer altijd de SDR-klasse en fabrikantgegevens.
Voor een SDR11-leiding van 32 mm is een praktische minimale buigradius ongeveer 480 mm. De volledige bochtdiameter bedraagt dan ongeveer 960 mm.
Bij een factor van 15 heeft een tyleenslang van 40 mm een minimale buigradius van circa 600 mm. De volledige diameter van de bocht is dan circa 1.200 mm.
Ja, mits de bocht geleidelijk wordt gemaakt en de minimale buigradius wordt aangehouden. Voor een compacte haakse bocht gebruik je een tyleenknie van 90 graden.
De leiding kan ovaal worden, afplatten of knikken. Hierdoor neemt de doorlaat af, ontstaat extra drukverlies en kan de leidingwand beschadigd raken.
Gebruik een zichtbaar geknikte of blijvend vervormde drukleiding niet opnieuw. Snijd het beschadigde gedeelte uit en herstel de leiding met een passende koppeling of vervang het leidingdeel.
Gebruik geen brander, open vuur of ongecontroleerde warmtebron. Hierdoor kan de leiding beschadigd raken en zijn drukbestendigheid verliezen. Gebruik bij een scherpe bocht een geschikt hulpstuk.
Ja. Bij lage temperaturen wordt PE stijver. Werk voorzichtig, forceer de leiding niet en houd een ruimere radius aan.
Wanneer er voldoende ruimte is, heeft een ruime bocht meestal de voorkeur. Je hebt dan geen extra verbinding en minder plaatselijke weerstand. Voor een krappe richtingsverandering is een knie de veiligste oplossing.